Deze mooie etappe is de overgang van de Queyras naar de Ubaye. Vanaf Ceillac volgt de route een paar kilometer het dal. Vervolgens begint de klim van 1000 meter naar Col Girardin op 2699 meter. Onderweg passeert de route Lac Miroir en het blauwe meer Lac Sainte Anne met een gelijknamige kapel. De afdaling gaat in het begin over kleine paadjes, de laatste 11 kilometer daalt deze over asfalt maar het is een prachtige weg tussen de bergen.
We vertrekken ’s ochtends vroeg op de camping in Ceillac. Gisteren heeft het de hele dag geregend en de afgelopen nacht ook nog flink, dus veel spullen voelen nog een beetje nat en klam. Het is te hopen dat we een goeie plek tegenkomen om alles te laten drogen, want de rugzakken voelen gelijk een stuk zwaarder door het gewicht van al het vocht. Het vele vocht in de lucht zorgt wel voor mooie plaatjes in de vallei; de flarden mist die langs de berghellingen omhoog kruipen en de glinsterende dauw op het grasland is prachtig.
De zon is nog niet over de bergen en het is fris, het is een van de eerste ochtenden dat we met vesten én donsjassen aan vertrekken. Het eerste stuk loopt vlak door het dal en dan is die extra warmte wel lekker. Maar zodra het klimmen begint gaan ze toch uit en lopen we in onze T-shirts door de bossen omhoog. Het is een stevige klim: we zitten hier onderaan op een 1700 meter en zullen nagenoeg in één keer doorklimmen naar 2700 meter, dus we zijn blij dat het wat koeler is en we in de schaduw van de berg lopen.
Door de regen van afgelopen nacht zijn de stroompjes die we passeren flinke rivieren geworden en zijn de smalle paadjes her en der wat glibberig en lastig begaanbaar. We lopen langs een aantal mooie watervallen en langs hoge rotswanden, waar op de slechtste stukken pad gelukkig houten bruggetjes gemaakt zijn. Er zijn een aantal mooie doorkijkjes tussen de bomen door naar het dal, dat al snel erg ver weg lijkt.
Zodra we boven de 2000 meter komen, wordt het bos een stukje minder dicht en zijn er steeds meer stukken alpenweides tussen de bomen. Net boven de 2200 meter hoogte komen we in een mooi hoog dal waar de route een stuk lang iets vlakker wordt. Hier ligt Lac Miroir: een schitterend meer in het decor van het hooggebergte, omringd door kale rotsen. Voor de weerspiegeling die de naam doet vermoeden waait het helaas net iets te veel, maar het is een fotogeniek plekje.
Aan het einde van het dal waar dit meer in ligt stijgen we nog zo’n 200 meter naar het volgende dal. Net over de Col de Sainte-Anne ligt het meer Sainte- Anne, in Vallee Sainte-Anne met daarbij aan de rand van het meertje Chapelle Sainte-Anne. Fransers zijn zo makkelijk in het geven van namen… Maar wat een schitterend dal is dit! Het helder blauwste water dat we ooit gezien hebben, omringd door een bergkam alsof er een decordoek naar beneden is getrokken. Het is dan ook een plek waar veel wandelaars naartoe komen, zeker aangezien er op een uurtje loopafstand een parkeerplaats ligt. Er is hier een mooie plek om ons tentje op te zetten en wat kledingstukken te drogen, dus we maken hier een lange pauze. Het is een aardig kampement zo, en een aantal wandelaars vragen ons of we hier gekampeerd hebben vannacht. We leggen uit in ons steeds beter wordende Frans dat het puur om te drogen is en maken een aantal keer een praatje over het gebied en onze tocht.
Na deze gezellige pauze hebben we nog een laatste stuk klimmen voor de boeg, naar Col Girardin op 2699 meter, met naast ons de Tête de la Petit Part, die met z’n 3144 meter een behoorlijk flinke berg is. Vanaf hier hebben we schitterend uitzicht over de vallei die we zojuist doorlopen hebben en het nieuwe dal dat voor ons ligt. …En op de afdaling. We zien de rivier beneden al liggen, maar hij is zo’n 900 meter lager. Wel diep, maar niet ver, want over 4 kilometer zullen we daar al zijn. Dat lijkt heel steil, en dat is het ook, maar de paden zijn fijn om te lopen, dus we kunnen er toch redelijk de vaart in houden. We lopen tussen de (bijna tamme) bergmarmotten door en naar mate we lager komen, lopen we weer wat meer een bosgebied in.
De daken van de huisjes en de auto’s op de weg onder ons worden snel groter en in een uurtje of 2 komen we beneden aan, op een kleine asfaltweg. Normaal zijn we niet zo’n fan van asfaltlopen, maar na zo’n steile klim en afdaling is het wel even lekker doorlopen. En daarnaast is het een schitterend gelegen weg door het smalle dal van d’Ubaye. We zullen deze weg zo’n 11 kilometer volgen tot de camping, op kleine stukken na, waar de GR5 even een zijpad neemt. Naast dat deze paadjes ons weer op mooie plekjes aan de rivier brengt, is het ook een stukje zachter voor de gewrichten om over paden te lopen. Asfalt loopt lekker door, maar je merkt al snel dat het toch een stuk zwaarder is voor je knieën en heupen.
De camping waar we vandaag slapen ligt zo’n 3,5 kilometer van de route af, maar het is de enige camping in de buurt. Het alternatief is wildkamperen, maar daar leent dit gebied zich niet voor. De camping municipal van het dorp Saint-Paul-sur-Ubaye is tot vandaag open, maar bij telefonisch contact met het stadhuis is ons verteld dat we toch gewoon ons tentje op mogen zetten. Het is een verrassing wat we zullen aantreffen…
Bij aankomst blijkt het een leuke camping te zijn naast de rivier, onder de bomen bij een meertje. Op het grote terrein staan nog 2 andere tentjes en een camper, maar de receptie is gesloten en we zien niemand. Er is één kraan waar nog water uit komt en in één van de sanitair blokken is een toilet opengelaten. We zijn dus van alle gemakken voorzien en zoeken een plekje uit. Wel een beetje vreemd zo, op een gesloten camping. Weer primeur op deze reis…
Maar het is een heerlijk rustige en fijne plek om een nachtje staan.